Heupfractuurrevalidatie
Herstel na een heupfractuur bij ouderen — met multidisciplinaire, geriatrisch gesuperviseerde revalidatie en intensieve oefentherapie als goed onderbouwde kern, en secundaire preventie van val en osteoporose
- Auteur
- R. van Schaik (fysiotherapie/manuele therapie)
- DCSPH-diagnosecode
- 6236 · Art. coxae (inclusief weke delen): Fracturen
Indicatief, geen declaratie-advies. DCSPH is een declaratiecodelijst en onderscheidt onze aandoeningen niet altijd: verschillende documenten kunnen dezelfde code dragen. Welke code u declareert bepaalt u op grond van uw eigen bevindingen. Bron: Vektis-codelijst CL0024-ZN, geldig vanaf 1 januari 2025.
Deel A — Klinische evidence-synthese
Deel A is opgesteld om zelfstandig leesbaar en toepasbaar te zijn, zonder dat de lezer aanvullende informatie hoeft op te zoeken. De methodologische verantwoording staat in Deel B.
1. Samenvatting en kernaanbevelingen
In-tekstverwijzingen [n] verwijzen naar de genummerde bronnenlijst (Vancouver; DOI/PMID geverifieerd via PubMed). Bewijszekerheid is per uitkomst met GRADE beoordeeld en vertaald naar de zes-tier-ladder (S/A/B/C/M/X). De tiers in dit concept zijn VOORLOPIG.
De heupfractuur is een belangrijke oorzaak van morbiditeit en sterfte bij ouderen, met een grote maatschappelijke impact. Na de operatieve behandeling (osteosynthese bij extracapsulaire, prothese of fixatie bij intracapsulaire fracturen) is revalidatie nodig om het functioneren te herstellen [1]. De belangrijkste uitkomst is het voorkomen van een 'poor outcome' — overlijden of achteruitgang in woon-/verblijfsstatus (institutionalisering) [1].
Multidisciplinaire, door een geriater of revalidatiearts gesuperviseerde revalidatie is de best onderbouwde aanpak. Een Cochrane-review (28 trials, 5351 patiënten) toonde dat multidisciplinaire klinische revalidatie het aantal 'poor outcome'-gevallen op 6 tot 12 maanden waarschijnlijk vermindert (risicoverhouding 0,88; 95%-BI 0,80 tot 0,98; matige zekerheid; number needed to treat 25) en mogelijk het aantal mensen met slechtere mobiliteit op 12 maanden verlaagt (RR 0,83; 95%-BI 0,71 tot 0,98; lage zekerheid) [1]. Intensieve oefentherapie verbetert het fysieke functioneren meer dan reguliere of geen oefening (gestandaardiseerd gemiddeld verschil 0,74; 95%-BI 0,25 tot 1,23), met winst op loopsnelheid, balans, de timed-up-and-go-test (gemiddeld verschil −4,34 seconden) en dagelijkse activiteiten (SMD 0,55) [2]. Een comprehensive geriatric assessment (CGA) vermindert onder meer het delier bij heupfractuurpatiënten (oddsratio 0,71; 95%-BI 0,54 tot 0,92) en het valrisico [3]. Concordant met NICE CG124 en de FMS-richtlijn Proximale femurfracturen: multidisciplinaire orthogeriatrische revalidatie is de standaard [richtlijn R1, R2].
Kernboodschappen: organiseer de revalidatie multidisciplinair en orthogeriatrisch [1]; bied intensieve oefentherapie aan gericht op functie, mobiliteit en dagelijkse activiteiten [2]; en combineer dit met een geriatrisch assessment en secundaire preventie (val- en osteoporose-beleid) [1,3]. [CONSENSUS]
| Kernaanbeveling | Claimtype | Zekerheid (tier) | Sterkte |
|---|---|---|---|
| Multidisciplinaire, geriatrisch gesuperviseerde klinische revalidatie | Effectvergelijking | B | Sterk |
| Intensieve oefentherapie (functie/mobiliteit/ADL) | Effectvergelijking | B | Sterk |
| Comprehensive geriatric assessment (o.a. delierpreventie) | Effectvergelijking | B | Sterk |
| Vroege mobilisatie en (waar passend) early supported discharge | Beleid/consensus | C | Sterk |
| Secundaire preventie: val- en osteoporose-beleid | ORGANISATIE | M | Sterk |
Dit deel is voor zorgprofessionals
De volledige Evidence-Based Guidance (Graded) lees je met een account voor zorgprofessionals. Het overzicht van alle aandoeningen blijft vrij toegankelijk.
- Per aandoening de volledige synthese, gegradeerd op bewijskracht.
- Eén account, direct toegang; verificatie van je BIG-nummer is alleen nodig als je patiënten wilt koppelen.
Ben je patiënt? Op de klachtpagina's staat dezelfde inhoud in gewone taal.